Hoe kunnen we de genetische diversiteit behouden of versterken?

 

Onderstaande is geschreven op persoonlijke titel en betreft mijn persoonlijke visie.

 

Als de genetische diversiteit in een ras afneemt, wordt het steeds moeilijker om de inteelt laag te houden. Daardoor neemt het risico op erfelijke aandoeningen en inteeltdepressie toe. Om de genetische diversiteit niet (verder) te laten verslechteren is het belangrijk dat alle genen van een generatie worden doorgegeven aan een volgende generatie. Dat kan bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat uit elk nest een paar honden worden gebruikt voor de fok en dat ook uit de nesten die deze honden voortbrengen, weer een paar honden voor de fok gebruikt worden. In de praktijk gebeurt dat niet. En dus lopen we het risico dat met name genen die nu relatief weinig voorkomen in het ras, langzaam maar zeker verdwijnen, waardoor de genetische diversiteit verder afneemt.

 

Daar valt iets tegen te doen, maar makkelijk zal het niet worden. Er zijn drie manieren om de genetische diversiteit te behouden en twee manieren om de genetische diversiteit te versterken, dat wil zeggen dat we de genenpool daadwerkelijk uitbreiden.

 

Drie manieren om de genetische diversiteit te behouden

 

1. Meer nesten fokken

Er is een directe relatie tussen het aantal nesten en het aantal ouderdieren dat hun genen doorgeeft. Hoe meer nesten, hoe meer verschillende teven en reuen hun genen doorgeven. Helaas wordt er steeds minder met Drenten gefokt en gaat het dus de verkeerde kant op. In 2003 waren er nog 87 nesten, met 133 verschillende ouderdieren die hun genen doorgaven. In 2019 waren er niet meer dan 40 nesten met slechts 71 verschillende ouderdieren. In 17 jaar tijd is het aantal Drenten dat jaarlijks hun genen doorgeeft, bijna gehalveerd.

Dus hoe meer nesten, hoe meer verschillende honden hun genen doorgeven aan het nageslacht. We zullen echt iets moeten doen om de desastreuze terugloop van het aantal gefokte nesten een halt toe te roepen. Er moet weer veel meer gefokt worden!

Toch is dit vooral zinvol in combinatie met onderstaande punten.

 

2. Meer verschillende ouderdieren gebruiken

Hoe meer (uiteraard gezonde) verschillende ouderdieren hun genen doorgeven aan de volgende generatie, hoe beter voor de genetische diversiteit. Dus je kunt wel meer nesten fokken, maar dat heeft vooral zin als je daarvoor allemaal verschillende ouderdieren gebruikt. Voor de 40 nesten uit 2019 werden 71 verschillende ouderdieren gebruikt, 40 teven en 31 reuen. Het was beter geweest als dat 40 teven en ook 40 verschillende reuen waren geweest. Het beste is eigenlijk als heel veel honden 1 (gelegenheids)nestje krijgen. We moeten dus zoveel mogelijk fokken, waarbij we zoveel mogelijk verschillende honden zo min mogelijk gebruiken. Helaas zijn er te weinig mensen die een nestje willen fokken en dus is het logisch dat hun teven 2 of 3x worden gebruikt. Maar zeker voor reuen geldt dat er veel meer verschillende reuen moeten worden gebruikt, die elk veel minder vaak zouden moeten worden ingezet.

Dus ook meer verschillende ouderdieren helpt, maar ook dit is vooral zinvol in combinatie met onderstaande.

 

3. Door meer te fokken met honden uit lijnen waarmee in het verleden weinig gefokt is, kunnen we het genetisch potentieel van een ras weer ten volle benutten

Door het veelvuldige gebruiken van dezelfde reuen en het terugfokken op populaire lijnen loopt er  inmiddels een groot aantal Drenten rond, met genen die veelvuldig in het ras voorkomen. Er is daarnaast een veel kleiner aantal Drenten die genen hebben die zeldzaam zijn binnen het ras. Dat zijn Drenten uit lijnen waar weinig mee gefokt is. Die genen staan op het punt om verloren te gaan. Door juist meer met deze honden te fokken, voorkomen we dat deze genen verloren gaan en kunnen we het genetische potentieel van het ras ten volle benutten. Met het registratiesysteem Dogs Global kunnen we tegenwoordig van elke Drent zien of zijn of haar genen zeldzaam zijn (dat kun je alleen zien als je een abonnement hebt voor een Breed Plan). Dit zijn honden met een zogenaamde lage Mean Kinship (MK), ook wel de gemiddelde verwantschap t.o.v. het hele ras genoemd. In Dogs Global zijn dit de groene en in iets mindere mate de gele honden. Let wel: ook van andere honden moeten hun genen worden doorgegeven, alleen met deze groene en gele honden zou in ieder geval (en liefst vaker) gefokt moeten worden.

Ik heb begrepen dat ook het registratiesysteem Zooeasy over enige tijd komt met een module om de Mean Kinship van alle honden uit te rekenen. Dat zou heel mooi zijn! Echter, dan zouden wel ook alle Drenten die in het buitenland geregistreerd staan in het systeem moeten worden ingevoerd, anders geeft de module verkeerde uitslagen. 

 

Twee manieren om de genetische diversiteit te versterken

 

4. Fokken met nieuw aangekeurde look-a-likes kan de diversiteit helpen, maar dat hoeft niet

Door het aankeuren van (en fokken met) look-a-likes (honden die eruitzien als Drenten maar geen stamboom hebben) kan de genetische diversiteit van een fokpopulatie worden verbeterd. Dat gaat alleen op als de look-a-like niet toch verwant is aan die fokpopulatie. Het is maar zeer de vraag of dergelijke look-a-likes te vinden zijn. Goed DNA-onderzoek is daarbij noodzakelijk.

 

5. Outcross met een ander ras is de enige zekere manier om de genetische diversiteit en dus de genenpool binnen een ras daadwerkelijk te vergroten

Wat we in de loop der tijd aan genen verloren hebben in het ras, krijgen we nooit meer terug. We kunnen de genenpool echter wel uitbreiden door outcross: het intelen van andere rassen.

Outcross met andere rassen lijkt voor de meeste drentenliefhebbers op dit moment een brug (of vele bruggen) te ver. Het is zoiets als vloeken in de kerk. Toch wordt er binnen andere rassen al mee geëxperimenteerd, simpelweg omdat elk ras (en bij uitstek een kleine ras als de Drent) er uiteindelijk toch mee aan de slag zal moeten. Veel mensen zeggen: als het per se moet, dan liever later dan nu. Mijn standpunt is: als het toch moet, laten we dan nu heel goed kijken naar de ervaringen bij andere rassen en ons er langzaam maar zeker alvast op gaan voorbereiden. Maar ik denk niet dat ik daarvoor veel gehoor zal vinden.

Met outcross breng je nieuwe verse genen het ras binnen waardoor de effecten van inteeltdepressie teniet gedaan worden. Echter, je kunt ook zomaar nieuwe gezondheidsproblemen je ras infokken. Dat kun je wel vermijden, maar dan moet je een goed plan hebben en weten wat je doet. Met zo'n plan kun je er ook voor zorgen dat het echte Drentenkarakter behouden blijft. Daarom ben ik er voorstander van dat outcross (tezijnertijd) gebeurt onder toeziend oog van rasverenigingen. Er is een andere weg: zelf outcross doen en dan bijvoorbeeld de tweede of derde generatie laten aankeuren als look-a-like (ervan uitgaande dat het voorstel van de Raad van Beheer om look-a-likes aan te gaan keuren wordt aangenomen), maar dan is er geen enkele controle en kan het zomaar mislopen.

Maar zelfs als je andere rassen inkruist en niet tegelijkertijd óók zorgt voor meer nesten, met meer verschillende ouderdieren en dan ook ouderdieren met een lage Mean Kinship (punt 1 t/m 3) zullen de positieve effecten van outcross heel snel uitdoven. Het is dus geen óf óf, maar én én. Dus aangezien outcross waarschijnlijk nog even zal duren, stel ik voor te beginnen met de overige opties: meer nesten fokken met meer (gezonde) ouderdieren en dan zeer zeker ook met ouderdieren met een lage Mean Kinship. 

 

Lees ook:

Hoe houden we ons ras gezond?

Wat is genetische diversiteit en waarom is dat belangrijk?

Hoe kunnen we zelf als drentenliefhebber of rasvereniging bijdragen aan diversiteit?

Filmpje over Dogs Global

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gallery/vitapup