Wat is genetische diversiteit en waarom is dat belangrijk?

 

In allerlei discussies over de gezondheid van ons ras valt het begrip genetische diversiteit. Maar wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld? Waarom is het zo belangrijk? Wat is de relatie met inteelt en wat moeten we ermee? Op deze pagina probeer ik daar duidelijkheid over te geven. Let wel, onderstaande is geschreven op persoonlijke titel en betreft mijn persoonlijke visie. Het is nogal taaie kost, maar ik denk dat het belangrijk is dat meer mensen begrijpen voor welke uitdagingen ons ras staat.

 

De genetische diversiteit binnen een ras wordt bepaald door de hoeveelheid verschillende genen binnen een ras, de zogenaamde genenpool

Elke hond heeft een heleboel genen. Die genen hebben een belangrijke invloed op de gezondheid, het uiterlijk en het gedrag van de hond. Sommige genen komen veel voor in het ras, andere weinig. Al de verschillende genen van alle Drenten bij elkaar vormen de genenpool. Elke Drent die een stamboom heeft, heeft zijn genen gekregen van twee ouders die ook een stamboom hebben. De genenpool wordt dus nooit meer groter, tenzij we honden zonder stamboom of andere rassen gaan inkruisen. Helaas wordt de genenpool om allerlei redenen wel almaar kleiner.

De hoeveelheid verschillende genen die in een ras circuleren, bepaalt de genetische diversiteit. Hoe groter de genenpool, hoe groter de genetische diversiteit.

 

In een klein ras is de genetische diversiteit per definitie laag, loopt de inteelt op, met uiteindelijk genetische aandoeningen en inteeltdepressie tot gevolg

In een klein ras als de Drent, is de genetische diversiteit niet zo groot. Immers, al die duizenden Drenten die de afgelopen 70-80 jaar zijn geboren, stammen allemaal van een beperkt aantal voorouders af, de zogenaamde founders. Alle genen in het ras zijn afkomstig van die founders. Omdat dat er niet zoveel waren, is het onvermijdelijk dat er familieleden met elkaar gekruist worden. Feitelijk zijn inmiddels alle Drenten familie van elkaar en is er dus altijd sprake van inteelt.

Inteelt is slecht voor een ras. Hoe meer inteelt, des te meer risico op erfelijke aandoeningen en hoe groter de kans op inteeltdepressie. Inteeltdepressie wil zeggen dat het ras steeds zwakker wordt. De weerstand vermindert, honden worden minder oud, de vruchtbaarheid wordt lager met als gevolg almaar kleinere nesten, minder geslaagde dekkingen, moeizame bevallingen, meer keizersneden, zieke en doodgeboren pups. Er zijn bijvoorbeeld rassen waarbij een leeftijd van 8 tot 10 jaar al heel netjes is. Gelukkig worden Drenten vaak makkelijk 12 tot 14 jaar.

Inteeltdepressie is haast niet in een paar generaties op te merken, het gaat sluipenderwijs. Of er in ons ras sprake is van inteeltdepressie, valt niet of nauwelijks met zekerheid te zeggen, maar vroeg of laat gaat dat gebeuren. Mijn insteek is dat als er al geen inteeltdepressie is, we alles op alles moeten zetten om dat te voorkomen.

 

Inteelt is het onvermijdelijke gevolg van lage genetische diversiteit en niet andersom. Met een lage inteelt kun je niet de genetische diversiteit verbeteren.

Uiteraard is het belangrijk om de inteelt binnen een bepaalde fokcombinatie binnen de perken te houden. Echter, daarmee voorkom je niet dat de genetische diversiteit daalt. Ook als iedereen in een ras kiest voor fokcombinaties met de allerlaagst mogelijke inteeltcoëfficiënt, raken op de lange termijn alle lijnen zo aan elkaar verwant dat de inteelt na verloop van een aantal generaties sterk stijgt, simpelweg omdat er geen honden meer te vinden zijn die nauwelijks verwant zijn.

Echter, door te voorkomen dat de genetische diversiteit niet verder daalt (dat wil zeggen dat alle verschillende genen in het ras blijven), kun je wel zorgen dat de inteelt zo lang mogelijk zo laag mogelijk kan blijven.

 

Selectie, het veelvuldig gebruiken van bepaalde reuen en het almaar terugfokken op bepaalde lijnen of voorouders, zorgt voor een afname van de genetische diversiteit

Om te zorgen dat de genetische diversiteit niet verder afneemt, zou je eigenlijk willen dat alle verschillende genen van een generatie worden doorgegeven aan de volgende generatie. Dan blijft de genenpool intact. Echter, door strenge selectie op raskenmerken (uiterlijk, gedrag, jachteigenschappen et cetera), het terugfokken op almaar dezelfde voorouderlijke lijnen en het veelvuldig gebruik van de ‘bekende’ reuen uit al veelgebruikte lijnen, wordt maar een selecte groep honden gebruikt voor de fok (dit heet de fokpopulatie) en slinkt de genenpool generatie op generatie. De genetische diversiteit neemt daardoor af, de inteelt (gemeten over alle generaties) loopt te snel op, en daarmee ligt het risico van inteeltdepressie en een toename van genetische aandoeningen op de loer.

 

Duivels dilemma: ook strenge selectie op gezondheidskenmerken zorgt voor een afname van genetische diversiteit

Ook door het uitsluiten van honden waarmee qua gezondheid ‘iets’ mis is (en vaak ook hun verwanten) loopt de genetische diversiteit terug. Hoe meer honden worden uitgesloten van de fokkerij, hoe groter de kans dat op langere termijn de genetische diversiteit afneemt. Dus als je veel honden vanwege gezondheidsproblemen uitsluit, verminder je de genetische diversiteit, loopt in de toekomst de inteelt op en kunnen nieuwe gezondheidsproblemen ontstaan. Met recht een duivels dilemma. Uiteraard moet je niet gaan fokken met een zieke hond, maar de vraag is in hoeverre dat in een klein ras ook voor alle verwanten moet gelden. Waar leg je de grens? En wanneer is een hond ziek? Vaak moeten we werken met een risico-inschatting. Zo heeft een hond met ED graad 1 meer risico om elleboogdysplasie te krijgen of te vererven dan een hond die op basis van foto's ED vrij is. En toch kan die ED-vrije hond (of zijn/haar nageslacht) wel ED krijgen, terwijl de hond met ED graad 1 de rest van zijn leven nergens last van kan hebben. Dat neemt niet weg dat het risico op elleboogdysplasie met een hond die ED graad 1 heeft, zowel voor de hond zelf als voor zijn of haar nageslacht, groter is dan het risico met een hond die ED vrij is. Maar waar leg je de grens? En als je alle honden met ED graad 1 uitsluit van de fok - en daar zijn op zich best goede argumenten voor - wat betekent dat dan voor de genetische diversiteit?  

Dit dilemma betekent wat mij betreft in ieder geval dat je terughoudend moet zijn met het uitsluiten van honden voor de fok. Zowel als dit gebeurt om uiterlijk, gedrag of onvoldoende jachteigenschappen, als om gezondheidsredenen. En bij elke maatregel waarbij je in een klein ras honden uitsluit van de fokkerij (en soms kan dat natuurlijk echt niet anders), moet je tegelijkertijd maatregelen nemen om te zorgen dat de genetische diversiteit niet nog verder terugloopt. Helaas zie ik dat laatste nog te weinig gebeuren.

 

Het aantal nesten, het aantal pups en het aantal ouderdieren loopt terug. Daardoor worden er steeds minder genen doorgegeven aan de volgende generatie en dat is slecht voor de genetische diversiteit.

In het jaar 2003 werden er nog 505 pups geboren, uit 87 nesten waarvoor 46 verschillende reuen werden gebruikt. Zestien jaar later, in 2019 werden er nog maar 219 pups geboren, uit 40 nesten waarvoor 31 verschillende reuen gebruikt werden. Dat wil zeggen dat in 2003 nog van 133 ouderdieren (teven + reuen) de genen werden doorgegeven aan een volgende generatie. In 2019 slechts van 71 ouderdieren. Dit ondanks de inspanningen om het aantal gebruikte dekreuen te verhogen.

Dat wil zeggen dat jaar in jaar uit er steeds minder genen van steeds minder honden worden doorgegeven aan de volgende generatie. De kans is groot dat we daardoor steeds meer genen verliezen, waardoor de genetische diversiteit binnen ons ras verder afneemt. En is een bepaald gen eenmaal verdwenen uit het ras, dan ben je dat gen voor altijd kwijt. En stel dat dat gen nou net belangrijk was voor de fysieke weerbaarheid van een hond, dan neemt het risico op inteeltdepressie dus toe.

 

We kunnen er wel voor zorgen dat de genetische diversiteit niet verder afneemt en het genetisch potentieel binnen een ras beter benut wordt

Het is mogelijk om ervoor te zorgen dat alle genen die nu nog in het ras aanwezig zijn, niet verder verloren gaan en van generatie op generatie worden doorgegeven. We kunnen er zelfs voor zorgen dat de genen die er zijn, beter ‘verdeeld’ worden binnen het ras, om te voorkomen dat sommige genen op het randje van verdwijnen komen te staan. Dat kan door veel meer nesten te fokken met veel meer verschillende ouderdieren en dan ook ouderdieren uit lijnen die weinig gebruikt worden en waarvan de genen dus minder vaak voorkomen in het ras.

 

Echter, wat we ook doen, zolang er geen ‘verse genen’ aan het ras worden toegevoegd, zal een klein ras als de Drent het op de lange termijn niet overleven

Het is onvermijdelijk dat bij een klein ras de gemiddelde inteelt (gemeten over alle generaties) steeds verder oploopt. Dat leidt uiteindelijk onvermijdelijk tot een toename van genetische aandoeningen en inteeltdepressie. Daar valt niet aan te ontkomen, tenzij er nieuwe genen aan de fokpopulatie worden toegevoegd. Dat laatste kan alleen door te gaan fokken met honden zonder stamboom (de look-a-likes) mits deze niet nauw verwant zijn aan de bestaande fokpopulatie, of door het inkruisen van andere rassen (outcross).

 

Lees ook:

Hoe houden we ons ras gezond?

Hoe kunnen we de genetische diversiteit behouden of versterken?

Hoe kunnen we zelf als drentenliefhebber of rasvereniging bijdragen aan diversiteit?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gallery/puppykluts header